Het onderstaande artikel heb ik als student geschreven als onderdeel van de minor bedrijfsjournalistiek. Op 31 januari 2013 is het verkozen tot het beste artikel dat gedurende dit schooljaar binnen de minor door een student is geschreven. Docent en onderzoeksjournalist Jutta Chorus lichtte de keuze als volgt toe:
''Vince Christiaans heeft een originele vorm gekozen om zijn judoleraar Mart Pepels te portretteren. Hij doet verslag van zijn eigen judoles, waarin Pepels hem en zijn medeleerlingen commentaar geeft. Hij observeert goed. Tussen de reportagefragmenten door laat Vince bekenden en familieleden aan het woord over Pepels. Langzaam raakt de lezer op de hoogte van het drama dat het leven van de stille Pepels domineert: de vroege dood van zijn dochter. Daarover zegt Pepels zelf niets tegen Vince, maar anderen doen dat wel. Knappe reconstructie. Vince beschrijft de geportretteerde met journalistieke afstand, ook al kent hij hem goed. Daardoor ontstaat er spanning in dit verhaal.''
---
Mart Pepels: de man op de mat
Tekst en foto's door Vince Christiaans
Het is half acht ‘s avonds. De kleine ruimte zit vol met druk kletsende jongeren. Ze zitten in een uiteenlopende collectie stoelen: houten uitklapzitjes, plastieken kuipjes en een bank die aan de muur is vastgeschroefd. Dit is de wachtruimte van de eerste officiële sportschool van Stein. De jongeren zijn allemaal gekleed in stevige witte pakken. De enige kleur die te bespeuren valt is die van hun band, die ze als een riem om hun middel dragen. De jongen in de hoek draagt een blauwe band, degene naast hem een oranje en naast mij zit een forse vent met een bruine judoband.
Het gesprek laait op tot een luide stem van
boven hen tot zwijgen brengt. ‘’Hé, mag het wat rustiger daar beneden?’’ Even
valt het gesprek stil, om dan door te gaan op een lagere toon. Hoe vaak heb ik
dit tafereel niet meegemaakt? De hervonden rust wordt afgekapt door een immens
kabaal. De les van de vorige groep zit erop en de jonge judoka’s stormen de
houten trap af naar de kleedkamers. De jongeren in de wachtkamer gaan staan en
lopen de trap op.
Voordat zij de mat op komen groeten ze
respectvol. Dit doen ze door heel even te blijven staan en een lichte buiging
te maken richting de zaal. Ze stellen zich schouder aan schouder op aan de rand
van de lichtgroene mat. Ieder kent zijn plaats; vooraan staan de bruine banden
en achteraan de witte. Ze zijn stil en wachten het begin van de les af.
Judoleraar Mart Pepels betreedt de mat. Zijn band is wit met dikke rode blokken;
hij draagt de achtste dan, een eretitel binnen het judo.
‘’Dames en heren, jullie hoeven vandaag niks te
doen. Behalve hard werken,’’ verklaart de sensei. Zijn strenge uitdrukking
verandert in een glimlach. Hij kijkt ons lachend aan en werpt een vlugge blik
op de ouders die langs de kant op hun kinderen staan te wachten. Met een kort
stemgeluid eist hij onze aandacht weer op en maakt ook hij een lichte buiging.
Wij buigen terug. In vroegere jaren werd er geknield om de les te openen, maar zelfs
bij Pepels eisen de jaren hun tol en oude knieën weigeren.
Net als bij elke andere sport begint de les met
een warming-up. Pepels vraagt ons om een ‘’looppas, kriskras door elkaar’’.
Vooral aan dat laatste moet de groep vaak herinnert worden want al snel lopen
de jonge judoka’s braaf in een cirkel over de mat. Na deze korte prelude begint
het echte werk. De judoman vraagt ons om alle worpen in te stappen. Dit
betekent dat we een judoworp niet in zijn geheel uitvoeren. Het gaat alleen om
het voorspel; de balansverstoring en het inzetten van de worp.
Terwijl wij druk zijn met trainen verdwijnt Mart
Pepels even van de mat. Hij loopt door zijn kleine kantoortje en komt uit in
zijn woning. Al sinds de beginjaren droomde Pepels
van zijn eigen sportschool. Deze droom
werd waarheid toen in 1964 zijn school werd afgebouwd, op de aansluitende
woning moest hij nog twee jaar wachten. Sinds die tijd onderwijst hij iedere
geïnteresseerde in de zelfverdedigingsport. Daarnaast voedde hij samen met zijn
vrouw Lies twee kinderen op: Henk en Yolanda.
Als jongetje sportte Pepels veel. Zo was hij een
goed hardloper en was ook even keeper bij de lokale voetbalclub. Dit bleek een
levensgevaarlijke bezigheid voor het jongetje uit Elsloo. Wanneer de bal het
doel naderde sprong hij eropaf met als gevolg dat hij menig schop mocht
incasseren. ‘’Gelukkig liep ik geen hersenschade op. Nogal logisch, want wat je
niet hebt kun je ook niet beschadigen.’’ Pas toen zijn broer Jan hem meenam
naar Hercules, een club waar onder andere Grieks-Romeins worstelen werd beoefend,
vond de nu 80-jarige Mart Pepels zijn ziel en zaligheid.
Via deze gemeenschap kwam hij in contact met
jiujitsu; een sport die nauw verwant is aan het judo. Die tijd kenmerkte zich
door trainen in korte broek en T-shirt op een mat gevuld met zeegras. De
locaties verschilden ook nogal van elkaar. Zo trainde de groep een poos in een
protestants kerkje dat eigenlijk niet meer was dan een houten keet. Heel iets
anders dan de comfortabele sportschool waar na 48 jaar nog steeds jonge judoka’s
worden grootgebracht.
Na het instappen van de judoworpen vraagt Pepels
ons om deze uit te voeren. De eerste klap is hoorbaar en er zullen het komende
uur nog velen volgen. Overal op de mat werpen Tori’s (zij die werpen) hun
Uke’s (zij die geworpen worden) op de grond aan de hand van heup-, schouder-,
been-, en armworpen. Om onze ervaring uit te breiden worden we gevraagd om te
wisselen van partners. Hiermee wordt voorkomen dat judoka’s te zeer op elkaar
ingespeeld raken. Het is waarschijnlijk ook de reden waarom judo zo’n
verbindende sport is. Je werkt samen om tot een goed resultaat te komen. Judo doe
je niet alleen.
Deze filosofie voert Mart Pepels door in zijn
leven. ''Zonder steun van je achterban bereik je niets,'' zei hij tijdens de uitreiking van
zijn achtste dan. ''Zonder mijn vrouw
had ik nog niet eens aan die rood witte band hoeven
denken.'' Haar sterven in 2008 was voor Pepels en zijn familie dan ook een groot
verlies. Heel even stond het leven stil. Het verdriet moest zijn plaats vinden
en na enige tijd stond de sensei weer op de mat.
De afleiding die de judo hem biedt is niet te
ontkennen. Zoals zijn zoon Henk Pepels het verwoordde: ‘’Het weerhield hem
ervan om een echte oude man te worden.’’ De troostende en misschien ook wel
afleidende natuur van de mat is niet aan zijn zoon ontgaan. Vanaf zijn vierde
tot halverwege zijn dertigste beoefende Henk judo bij zijn vader en behaalde de
tweede dan. Het was een manier om tijd met elkaar door te brengen. Want Mart
Pepels leidde een druk leven; hij werkte veel ’s avonds en in de weekenden was
hij meestal bezet door lessen, toernooien en examens.
Ondanks het feit dat zijn zaak aan huis lag was
Mart Pepels een afwezige vader. Een jaloezie voor het ‘normale’ gezin werd
daardoor geboren. Avondjes met vader en moeder samen op de bank kwamen niet
veel voor, om over weekendactiviteiten nog maar te zwijgen. Het was daarom
normaal dat Ma degene was die zich
ontfermde over de kinderen. Pas toen Henk zelf kinderen kreeg zag hij hoezeer
zijn jeugd was beïnvloed door zijn vaders werk. Soms voert hij gesprekken met
zijn kroost die hij nooit met zijn vader heeft gevoerd.
Echter heeft het Henk veel zelfstandigheid
opgeleverd. Wanneer zijn ouders geen tijd hadden was hij gedwongen om zijn
eigen boontjes te doppen. Met zijn studie hebben ze zich bijvoorbeeld nooit
bemoeid. ‘’In de tijd van mijn ouders was er niet zoveel keus, daarom hielden
ze zich ook niet zo bezig met mijn opleiding.’’ Hoewel dit vaak tot frustratie
leidde kijkt Henk er nu met genegenheid op terug. Vooral als zijn drie kinderen
klagen dat hun ouders te veel letten op wat zij doen en willen.
‘’Ik ga zijn naam niet noemen, maar
hij is de enige hier met een groene band,’’ zegt Pepels. Hij wijst een bruine
band aan en demonstreert wat de groene band, wiens hoofd een rood tintje heeft
gekregen, verkeerd deed. Na dit voorbeeld gaat de groep weer ijverig verder met
het verbeteren van hun technieken. Pepels let nog heel even op de groene band
om te zien of hij zijn lesje heeft geleerd. Hij verlegt zijn aandacht naar de
rest van de groep en complimenteert een gele band op zijn werptechniek.
De laatste tien minuten van de les
zijn aangebroken. We stoppen met het oefenen van de worpen en groeten af. Tot
groot genoegen van de meest competitieve leden van de groep kondigt Pepels een
vrij gevecht aan. Dit betekent dat we elkaar te lijf gaan met verschillende
worpen. Het is de bedoeling om je tegenstander op de grond te krijgen met een
worp en daarna te controleren met een houdgreep. We staan tegenover elkaar.
Iedereen is klaar om zijn partner aan te pakken. De seconden tikken weg. Dan
klinkt Pepels’ luide stem over de mat. ‘’Hajime!’’
De strijd tussen de judoka’s barst
los. Mijn tegenstander weet met een indrukwekkende snelheid mijn pak vast te
pakken. Voor ik er erg in heb duwt hij mij op mijn hakken waardoor ik mijn
balans verlies. Met een goed uitgevoerde beenworp, de osoto-gari om precies te
zijn, werpt hij me op de mat. Pepels kijkt even om en feliciteert mijn partner
met zijn snelle overwinning. Zo kan het gaan, je let even niet op en je wordt
onderuit gehaald.
Dit is een les die je niet alleen met
judo leert. Dat weet Mart Pepels erg goed. In 1968 werd zijn dochter Yolanda
geboren. Het meisje bleek te lijden aan cystic fibrosis; beter bekend als de
taaislijmziekte. Deze aandoening zorgde ervoor dat Yolanda vaak ziek was en een
grote zorg betekende voor het gezin. Toch betrok Pepels haar bij zijn sport,
maar de ziekte zorgde ervoor dat ze haar eerste dan net niet behaalde. Al rond
haar vijfde wisten Mart en Lies dat Yolanda niet oud kon worden. Deze zware
gewaarwording werd werkelijkheid toen het meisje op haar achttiende stierf.
Binnen het gezin Pepels werd afgesproken om de
omgeving niet specifiek te vertellen wat er met Yolanda aan de hand was. Het gezin wilde voorkomen dat het meisje zielig gevonden
werd. Ze was gewoon vaak ziek. Henk geeft toe dat zijn vader daar goed in was. Maar het feit dat de man geen dag voorbij laat
gaan zonder een bezoek te brengen aan het graf van zijn dochter zegt genoeg.
Nog nooit heeft Henk zijn zus bezocht zonder daar een brandend kaarsje aan te
treffen.
Aan het einde van de les staat de groep weer
netjes in een rij opgesteld. We groeten af en als ik even later weer buiten sta
vraag ik me af hoe belangrijk deze mat wel niet is. Voor Pepels, zijn vrouw,
zijn kinderen. Wanneer je bijna vijftig jaar van je leven doorbrengt op een
judomat, dan moet het toch iets voor je gaan betekenen. Dan wordt het toch meer
dan een plaats van sport, broederschap en etiquette. Dan wordt het je leven.







Geen opmerkingen:
Een reactie posten