dinsdag 26 maart 2013

Vliegerend onder een auto


Wie kent ‘m nog? De commercial die vele ouders met hartkloppingen opscheepte en alle kinderen een doodsangst voor vliegeren en Fiats bezorgde? ‘Vlieger & Meisje’ is een jeugdherinnering die me blijft achtervolgen. Toen ik hem laatst terugzag op YouTube liet hij mij nog net zo verslagen achter als vroeger. De commercial werd gemaakt in opdracht van Veilig Verkeer Nederland en was ruim 20 jaar lang op televisie te zien.
Het begint allemaal mierzoet: een zonnige lenteavond, vliegerende kinderen en een hond die eruit ziet als Samson. In de buurt zien auto’s met een verbazingwekkende snelheid voorbijrazen. Al snel begint er een naar gevoel op te wellen in onze buikjes. De kinderen gaan op in hun spel en letten helemaal niet op de racemonsters.
De commercial speelt nog even met onze verwachtingen door zich te richten op een meisje dat stuntelt met haar vlieger. Voor ons is het meisje al honderd maal gestorven en begraven. Maar een aardige jongen helpt haar om het vliegerding weer onder controle te brengen. De jongen rent, geheel gefocust op zijn vlieger, totdat... er een Fiat aankomt. Er klinkt geknal en gekletter. Het stuntelige meisje keert zich om en aanschouwt het ongeval. Aan haar gezichtje zijn de jaren aan psychiatrische hulp af te lezen.
Zo wist ‘Vlieger & Meisje’ veel kindertjes te traumatiseren. Kindertjes die zaten te wachten op Sesamstraat, het Klokhuis of Prins Valiant. In plaats daarvan werden ze getrakteerd op een traumatiserende stomp in hun maag. Voor mij valt deze commercial onder de meest effectieve van Nederland. Het had iets dat vele commercials nu missen: impact, letterlijk en figuurlijk.   

maandag 25 februari 2013

Portret - Originele Versie

Het onderstaande artikel heb ik als student geschreven als onderdeel van de minor bedrijfsjournalistiek. Op 31 januari 2013 is het verkozen tot het beste artikel dat gedurende dit schooljaar binnen de minor door een student is geschreven. Docent en onderzoeksjournalist Jutta Chorus lichtte de keuze als volgt toe:

''Vince Christiaans heeft een originele vorm gekozen om zijn judoleraar Mart Pepels te portretteren. Hij doet verslag van zijn eigen judoles, waarin Pepels hem en zijn medeleerlingen commentaar geeft. Hij observeert goed. Tussen de reportagefragmenten door laat Vince bekenden en familieleden aan het woord over Pepels. Langzaam raakt de lezer op de hoogte van het drama dat het leven van de stille Pepels domineert: de vroege dood van zijn dochter. Daarover zegt Pepels zelf niets tegen Vince, maar anderen doen dat wel. Knappe reconstructie. Vince beschrijft de geportretteerde met journalistieke afstand, ook al kent hij hem goed. Daardoor ontstaat er spanning in dit verhaal.''
---
Mart Pepels: de man op de mat
Tekst en foto's door Vince Christiaans


Het is half acht ‘s avonds. De kleine ruimte zit vol met druk kletsende jongeren. Ze zitten in een uiteenlopende collectie stoelen: houten uitklapzitjes, plastieken kuipjes en een bank die aan de muur is vastgeschroefd. Dit is de wachtruimte van de eerste officiële sportschool van Stein. De jongeren zijn allemaal gekleed in stevige witte pakken. De enige kleur die te bespeuren valt is die van hun band, die ze als een riem om hun middel dragen. De jongen in de hoek draagt een blauwe band, degene naast hem een oranje en naast mij zit een forse vent met een bruine judoband. 

Het gesprek laait op tot een luide stem van boven hen tot zwijgen brengt. ‘’Hé, mag het wat rustiger daar beneden?’’ Even valt het gesprek stil, om dan door te gaan op een lagere toon. Hoe vaak heb ik dit tafereel niet meegemaakt? De hervonden rust wordt afgekapt door een immens kabaal. De les van de vorige groep zit erop en de jonge judoka’s stormen de houten trap af naar de kleedkamers. De jongeren in de wachtkamer gaan staan en lopen de trap op.

Voordat zij de mat op komen groeten ze respectvol. Dit doen ze door heel even te blijven staan en een lichte buiging te maken richting de zaal. Ze stellen zich schouder aan schouder op aan de rand van de lichtgroene mat. Ieder kent zijn plaats; vooraan staan de bruine banden en achteraan de witte. Ze zijn stil en wachten het begin van de les af. Judoleraar Mart Pepels betreedt de mat. Zijn band is wit met dikke rode blokken; hij draagt de achtste dan, een eretitel binnen het judo.


‘’Dames en heren, jullie hoeven vandaag niks te doen. Behalve hard werken,’’ verklaart de sensei. Zijn strenge uitdrukking verandert in een glimlach. Hij kijkt ons lachend aan en werpt een vlugge blik op de ouders die langs de kant op hun kinderen staan te wachten. Met een kort stemgeluid eist hij onze aandacht weer op en maakt ook hij een lichte buiging. Wij buigen terug. In vroegere jaren werd er geknield om de les te openen, maar zelfs bij Pepels eisen de jaren hun tol en oude knieën weigeren.

Net als bij elke andere sport begint de les met een warming-up. Pepels vraagt ons om een ‘’looppas, kriskras door elkaar’’. Vooral aan dat laatste moet de groep vaak herinnert worden want al snel lopen de jonge judoka’s braaf in een cirkel over de mat. Na deze korte prelude begint het echte werk. De judoman vraagt ons om alle worpen in te stappen. Dit betekent dat we een judoworp niet in zijn geheel uitvoeren. Het gaat alleen om het voorspel; de balansverstoring en het inzetten van de worp.

Terwijl wij druk zijn met trainen verdwijnt Mart Pepels even van de mat. Hij loopt door zijn kleine kantoortje en komt uit in zijn woning. Al sinds de beginjaren droomde Pepels van zijn eigen sportschool. Deze droom werd waarheid toen in 1964 zijn school werd afgebouwd, op de aansluitende woning moest hij nog twee jaar wachten. Sinds die tijd onderwijst hij iedere geïnteresseerde in de zelfverdedigingsport. Daarnaast voedde hij samen met zijn vrouw Lies twee kinderen op: Henk en Yolanda.


Als jongetje sportte Pepels veel. Zo was hij een goed hardloper en was ook even keeper bij de lokale voetbalclub. Dit bleek een levensgevaarlijke bezigheid voor het jongetje uit Elsloo. Wanneer de bal het doel naderde sprong hij eropaf met als gevolg dat hij menig schop mocht incasseren. ‘’Gelukkig liep ik geen hersenschade op. Nogal logisch, want wat je niet hebt kun je ook niet beschadigen.’’ Pas toen zijn broer Jan hem meenam naar Hercules, een club waar onder andere Grieks-Romeins worstelen werd beoefend, vond de nu 80-jarige Mart Pepels zijn ziel en zaligheid.     

Via deze gemeenschap kwam hij in contact met jiujitsu; een sport die nauw verwant is aan het judo. Die tijd kenmerkte zich door trainen in korte broek en T-shirt op een mat gevuld met zeegras. De locaties verschilden ook nogal van elkaar. Zo trainde de groep een poos in een protestants kerkje dat eigenlijk niet meer was dan een houten keet. Heel iets anders dan de comfortabele sportschool waar na 48 jaar nog steeds jonge judoka’s worden grootgebracht.   

Na het instappen van de judoworpen vraagt Pepels ons om deze uit te voeren. De eerste klap is hoorbaar en er zullen het komende uur nog velen volgen. Overal op de mat werpen Tori’s (zij die werpen) hun Uke’s (zij die geworpen worden) op de grond aan de hand van heup-, schouder-, been-, en armworpen. Om onze ervaring uit te breiden worden we gevraagd om te wisselen van partners. Hiermee wordt voorkomen dat judoka’s te zeer op elkaar ingespeeld raken. Het is waarschijnlijk ook de reden waarom judo zo’n verbindende sport is. Je werkt samen om tot een goed resultaat te komen. Judo doe je niet alleen.


Deze filosofie voert Mart Pepels door in zijn leven. ''Zonder steun van je achterban bereik je niets,'' zei hij tijdens de uitreiking van zijn achtste dan. ''Zonder mijn vrouw had ik nog niet eens aan die rood witte band hoeven denken.'' Haar sterven in 2008 was voor Pepels en zijn familie dan ook een groot verlies. Heel even stond het leven stil. Het verdriet moest zijn plaats vinden en na enige tijd stond de sensei weer op de mat.

De afleiding die de judo hem biedt is niet te ontkennen. Zoals zijn zoon Henk Pepels het verwoordde: ‘’Het weerhield hem ervan om een echte oude man te worden.’’ De troostende en misschien ook wel afleidende natuur van de mat is niet aan zijn zoon ontgaan. Vanaf zijn vierde tot halverwege zijn dertigste beoefende Henk judo bij zijn vader en behaalde de tweede dan. Het was een manier om tijd met elkaar door te brengen. Want Mart Pepels leidde een druk leven; hij werkte veel ’s avonds en in de weekenden was hij meestal bezet door lessen, toernooien en examens.
 
Ondanks het feit dat zijn zaak aan huis lag was Mart Pepels een afwezige vader. Een jaloezie voor het ‘normale’ gezin werd daardoor geboren. Avondjes met vader en moeder samen op de bank kwamen niet veel voor, om over weekendactiviteiten nog maar te zwijgen. Het was daarom normaal dat Ma degene was die zich ontfermde over de kinderen. Pas toen Henk zelf kinderen kreeg zag hij hoezeer zijn jeugd was beïnvloed door zijn vaders werk. Soms voert hij gesprekken met zijn kroost die hij nooit met zijn vader heeft gevoerd.


Echter heeft het Henk veel zelfstandigheid opgeleverd. Wanneer zijn ouders geen tijd hadden was hij gedwongen om zijn eigen boontjes te doppen. Met zijn studie hebben ze zich bijvoorbeeld nooit bemoeid. ‘’In de tijd van mijn ouders was er niet zoveel keus, daarom hielden ze zich ook niet zo bezig met mijn opleiding.’’ Hoewel dit vaak tot frustratie leidde kijkt Henk er nu met genegenheid op terug. Vooral als zijn drie kinderen klagen dat hun ouders te veel letten op wat zij doen en willen.

‘’Ik ga zijn naam niet noemen, maar hij is de enige hier met een groene band,’’ zegt Pepels. Hij wijst een bruine band aan en demonstreert wat de groene band, wiens hoofd een rood tintje heeft gekregen, verkeerd deed. Na dit voorbeeld gaat de groep weer ijverig verder met het verbeteren van hun technieken. Pepels let nog heel even op de groene band om te zien of hij zijn lesje heeft geleerd. Hij verlegt zijn aandacht naar de rest van de groep en complimenteert een gele band op zijn werptechniek.

De laatste tien minuten van de les zijn aangebroken. We stoppen met het oefenen van de worpen en groeten af. Tot groot genoegen van de meest competitieve leden van de groep kondigt Pepels een vrij gevecht aan. Dit betekent dat we elkaar te lijf gaan met verschillende worpen. Het is de bedoeling om je tegenstander op de grond te krijgen met een worp en daarna te controleren met een houdgreep. We staan tegenover elkaar. Iedereen is klaar om zijn partner aan te pakken. De seconden tikken weg. Dan klinkt Pepels’ luide stem over de mat. ‘’Hajime!’’


De strijd tussen de judoka’s barst los. Mijn tegenstander weet met een indrukwekkende snelheid mijn pak vast te pakken. Voor ik er erg in heb duwt hij mij op mijn hakken waardoor ik mijn balans verlies. Met een goed uitgevoerde beenworp, de osoto-gari om precies te zijn, werpt hij me op de mat. Pepels kijkt even om en feliciteert mijn partner met zijn snelle overwinning. Zo kan het gaan, je let even niet op en je wordt onderuit gehaald.

Dit is een les die je niet alleen met judo leert. Dat weet Mart Pepels erg goed. In 1968 werd zijn dochter Yolanda geboren. Het meisje bleek te lijden aan cystic fibrosis; beter bekend als de taaislijmziekte. Deze aandoening zorgde ervoor dat Yolanda vaak ziek was en een grote zorg betekende voor het gezin. Toch betrok Pepels haar bij zijn sport, maar de ziekte zorgde ervoor dat ze haar eerste dan net niet behaalde. Al rond haar vijfde wisten Mart en Lies dat Yolanda niet oud kon worden. Deze zware gewaarwording werd werkelijkheid toen het meisje op haar achttiende stierf.


Binnen het gezin Pepels werd afgesproken om de omgeving niet specifiek te vertellen wat er met Yolanda aan de hand was. Het gezin wilde voorkomen dat het meisje zielig gevonden werd. Ze was gewoon vaak ziek. Henk geeft toe dat zijn vader daar goed in was. Maar het feit dat de man geen dag voorbij laat gaan zonder een bezoek te brengen aan het graf van zijn dochter zegt genoeg. Nog nooit heeft Henk zijn zus bezocht zonder daar een brandend kaarsje aan te treffen.  

Aan het einde van de les staat de groep weer netjes in een rij opgesteld. We groeten af en als ik even later weer buiten sta vraag ik me af hoe belangrijk deze mat wel niet is. Voor Pepels, zijn vrouw, zijn kinderen. Wanneer je bijna vijftig jaar van je leven doorbrengt op een judomat, dan moet het toch iets voor je gaan betekenen. Dan wordt het toch meer dan een plaats van sport, broederschap en etiquette. Dan wordt het je leven. 

Portret - Korte Versie


(Gepubliceerd in het ZondagNieuws Westelijke Mijnstreek van zondag 24 februari 2013)

Mart Pepels: de man op de mat
Tekst en foto’s door Vince Christiaans

Het is half acht ‘s avonds. Ik betreedt de judomat van de eerste officiële sportschool van Stein. Voordat de judoka’s de mat op komen buigen ze respectvol. Ze stellen zich schouder aan schouder op aan de rand van de mat. Ieder kent zijn plaats; vooraan staan de bruine banden en achteraan de witte.

Judoleraar Mart Pepels betreedt de mat. Zijn band is wit met dikke rode blokken; hij draagt de achtste dan, een eretitel binnen het judo. ‘’Dames en heren, jullie hoeven vandaag niks te doen. Behalve hard werken,’’ verklaart de sensei. Hij maakt een lichte buiging. De groep buigt terug. Vroeger werd er geknield om de les te openen, maar zelfs bij Pepels eisen de jaren hun tol en oude knieën weigeren.


De les begint met een warming-up. De judoman vraagt om alle worpen in te stappen. Dit betekent dat we de judoworp niet in zijn geheel uitvoeren. Het gaat alleen om de balansverstoring en het inzetten van de worp.

Terwijl de groep traint verdwijnt Mart Pepels van de mat. Hij loopt door zijn kantoortje en komt uit in zijn woning. De judoschool werd in 1964 afgebouwd, op de woning moest hij nog twee jaar wachten. Sinds die tijd geeft hij judoles. Daarnaast voedde hij samen met zijn vrouw Lies twee kinderen op: Henk en Yolanda.

Als jongetje sportte Pepels veel. Maar pas toen zijn broer Jan hem meenam naar Hercules, een club waar Grieks-Romeins worstelen werd beoefend, vond de nu 80-jarige Pepels zijn ziel en zaligheid. Zodoende kwam hij in contact met jiujitsu; een sport die nauw verwant is aan het judo.

Na het instappen van de judoworpen vraagt Pepels om deze uit te voeren. Overal op de mat werpen Tori’s (zij die werpen) hun Uke’s (zij die geworpen worden) op de grond aan de hand van heup-, schouder-, been-, en armworpen. Judo doe je niet alleen.

Deze filosofie voert Mart Pepels door in zijn leven. ‘’Zonder je achterban bereik je niets,‘’ zei hij tijdens de uitreiking van zijn achtste dan. ‘’Zonder mijn vrouw had ik niet eens aan die rood witte band hoeven denken.’’ Haar sterven in 2008 was voor Pepels en zijn familie een groot verlies. Even stond het leven stil, maar na enige tijd stond hij weer op de mat.

De afleiding die judo biedt is niet te ontkennen. ‘’Het weerhoudt hem ervan een oude man te worden,’’ zegt Henk Pepels. Vanaf zijn vierde tot halverwege zijn dertigste sportte Henk bij zijn vader en behaalde de tweede dan. Het was een manier om tijd met elkaar door te brengen. Mart Pepels leidde een druk leven.

Avondjes samen op de bank kwamen niet veel voor, om over weekendactiviteiten nog maar te zwijgen. Pas toen Henk zelf kinderen kreeg zag hij hoezeer zijn jeugd was beïnvloed door zijn vaders werk. Soms heeft hij gesprekken met zijn kinderen die hij nooit met zijn vader heeft gevoerd.

Tot groot genoegen van de groep kondigt Pepels een vrij gevecht aan. Het is de bedoeling om je tegenstander op de grond te werpen en daarna te controleren met een houdgreep. We staan tegenover elkaar. De seconden tikken weg. Dan klinkt Pepels’ luide stem. ‘’Hajime!’’

De strijd barst los. Mijn tegenstander weet snel mijn pak vast te pakken. Voor ik er erg in heb ben ik uit balans. Met een beenworp, de osoto-gari om precies te zijn, werpt hij me op de mat. Pepels complimenteert mijn partner. Zo kan het gaan, je let even niet op en je wordt onderuit gehaald.

Deze les leer je niet alleen in het judo. Dat weet Pepels erg goed. In 1968 werd zijn dochter Yolanda geboren. Het meisje bleek te lijden aan cystic fibrosis; beter bekend als de taaislijmziekte. Deze aandoening zorgde ervoor dat Yolanda vaak ziek was en een grote zorg betekende voor het gezin. Toch betrok Pepels haar bij zijn sport, maar door haar ziekte behaalde ze haar eerste dan niet. Mart en Lies waren ontroostbaar toen het meisje op haar achttiende stierf.

Binnen het gezin werd afgesproken om de omgeving niet specifiek te vertellen wat Yolanda mankeerde. Het gezin wilde voorkomen dat het meisje zielig gevonden werd. Henk geeft toe dat zijn vader daar goed in was. Maar het feit dat er geen dag voorbij gaat zonder dat Pepels een bezoek te brengt aan het graf van zijn dochter zegt genoeg. Nog nooit heeft Henk zijn zus bezocht zonder daar een brandend kaarsje aan te treffen. 

Als ik aan het einde van de les weer buiten sta vraag ik me af hoe belangrijk deze mat wel niet is. Voor Pepels, zijn vrouw, zijn kinderen. Wanneer je bijna vijftig jaar van je leven doorbrengt op een judomat, dan moet het iets voor je gaan betekenen. Dan wordt het meer dan een plaats van sport, broederschap en etiquette. Dan wordt het je leven.